Robin Ramael

het halting probleem

 

alles mengt met elkaar

maar heel traag

– marwin vos

 

het weer moet een vergissing zijn.

zwerend in de bomen spuwen reigers braaf hun nesten aan elkaar,

niemand had de bloesems wat dan ook gevraagd

maar kijk, toch staan ze daar, geil en klaargemaakt,

bestuurd door een zon die niet weet wat ze doet.

en ja, ook mij is de degoutante lente niet vergeten;

voor de spiegel op het toilet geef ik toe aan de vraag van het publiek,

duw onderbroek met duim en handpalm naar omlaag,

kijk speels de lens in

en druk af.

 

de machinekamer op de keizersgracht

(een tak in een graaf op abstractie van mysql als key-value store)

blinkt scheef in het mechanisme van zonsondergang

waar licht dat onder een hoek van 10 graden valt indirect wordt, “zacht”;

het gedocumenteerd systeem van de vallende avond.

 

ik laat de data door mijn bindings glijden,

filter dagenlang van tien tot zes de smurrie van het internet.

spin het, bleek het, schmink het

tot het deprecations warnings lekkend, stinkend

naar verbrand plastiek op mijn bureau obsceen de benen opent,

een soort beweging maakt, uitnodigend.

 

hormonaal, bijna, vind ik de weg, het midden

tussen de divjes. verpakt, de context vergeten

trek ik mij de zweer omheen de lippen,

proef het vocht, begin langzaam te verteren en

transponeer naar deeltje van de toestand,

controlerend tot diep beneden in het grote

protocol, dat mij langzaam uiteen trekt.

ik druip tot in de buffers, de diep begraven kabels,

programmeer daar labyrinten signalen, los op

in de bewegende lading van het netwerk in ether;

een bepaald elektron dat het koper kan lezen.

 

blank leg ik een valse lenigheid over de dingen

schuur een bedding in het stof van de geschiedenis (die ik bezit)

tot ze perfect rondom mijn billen past

en kijk, het automaat werkt fucking magnifiek,

ik moet alleen maar achterover leunen;

onderga het sacrament documentaire,

laat het op mijn tong in speeksel wassen

zich vermengen tot signature cocktail:

 

in de bataclan gooit iemand een slipje op het podium,

jesse hughes ruikt er aan en lacht; het publiek gaat uit zijn dak.

dzhokhar tsarnaev, een open wonde in suburbia, schrijft

een laatste dreigement op de wand van een zeilboot in een cul-de-sac.

whitman schuilt onder de bankjes van een metrostation;

boven hem breken gezichten aan scherven,

huilen puin tot ze weg zijn; ik ben vergeten waarom.

ergens groeien raketten weelderig de steden in,

het klootjesvolk giet water op de takken.

het klootjesvolk verdampt.

 

en zo meteen word ik uiteengereten

een jongeman herkent het westers kwaad in mijn lievelingst-shirt

en captagon triggert een event.

 

binnen het systeem lijkt de reactie exotherm maar in het echt verandert niets.

er is ontsteking, oxidatie, de moleculen voeren hun instructies uit.

de werkelijkheid is onverwoestbaar en de mens

een abstractie vet, verdriet en proteïne

die zich zomaar over de straatstenen verspreidt

een rorschachvlek van jongens vormt

de exegese van een oorlog die nog niet begint

 

en toch

zijn er knuffels

streelt men zich letterlijk de kleren uit.

de pupillen te wijd, ons voorvocht een netwerk van draden,

in het kussenfort wordt kauwgom uitgedeeld,

buiten heeft iemand een playlist opgezet en iedereen

iedereen heeft lippen.

 

we vormen

een lijf van jongens dat doorheen de slaapkamer pulseert

zich vindt in de spieren, gebalde prostaat

ik lik het zweet salpeter van zijn schouders, mag kijken

naar de riem van kruit en spijkers die hij rond zijn borstkas draagt

en pruts aan de bedrading, onderzoek de spaghetticode geopolitiek

die ons tot deze chaos van organen heeft herleidt.

 

de kranten willen dat wij elkaar vernietigen.

nigel farage wilt dat wij elkaar vernietigen.

al-baghdadi wilt dat wij elkaar vernietigen.

de fysica wilt dat wij elkaar vernietigen.

 

dit alles is beslisbaar.

de automaat van duwen en verdrukking

heeft zijn voeding op de stapel al gevonden,

richt zich op, bestaat en genereert zichzelf,

verschuift doorheen katoen en kussens polyester

kamers die wij met bloed en zaad,

met nat en suikerspin van toestand doen veranderen.

 

we kiezen oorzaak en gevolg als getallen op een as

en kruipen er dan onder, wriemelen doorheen de kabels en de modder,

het slijk dat overblijft als je een woord te veel gebruikt,

lezen gedichten en voelen de lippen automatisch bewegen,

vormen de brokken van woorden die desintegreren,

in een brandbom van voelen, die we schuilend

in de zetel met de gordijnen laten spelen.

 

in het holst van de ravage,

teken ik met spuug en kool een streep onder mijn ogen

en vind hem in een plasje zwaarmetaal.

klein, bebloed, komt hij te voorschijn uit zijn kleren

krijgt dokters en dekens en zoentjes en soep.

 

ik leg hem op zijn rug en haal de pluisjes uit zijn navel;

de stukken gewapend beton, de verdragen,

de kabels en vijzen, het kruit en de spijkers.

verkruimel ze tot angst en stof tussen mijn vingers

en verstrooi ze in mandalas rond het bed.

 

thank you for the fire, thank you for the fire.

thank you for the fire, thank you for the fire.

it’s healing, it’s healing, it’s healing us.

it’s healing, it’s healing, it’s healing us.

 

hoe lang de overheid dit feest nog toelaat is ons voorlopig onbekend.

maar kijk, de waanzin lijkt beperkt tot deze kamer; een bende idioten

heeft matrassen bij elkaar geschoven, balkondeuren gesloten,

iets leuks met kerstlichtjes gedaan en ligt, geplet tussen momenten,

ledematen tegen vensterglas, de chaos uit te hangen.

 

ik weet niet of dat stom klinkt, en ik zie jullie zo graag

maar onze huiden condenseren. lillend in de plooien

aarzelen de lakens, te midden het gekronkel

gaat er een glas water door mijn handen,

heeft er iemand nog een sigaret. het lijf,

een geurende gelei waarin het straatlicht breekt, komt los,

kruipt zuchtend uit elkaar in natte oksels,

draden kwijl tussen de monden, tanden in de hals.

de hijgende eschatologie, compleet ontremd

zoekt frunnikend een hoogtepunt maar valt

van rubber en oningevuld tussen de kussens.

 

ik droom van een verouderde apocalyps;

een yellowcake zon op een verdampende stad.

alsof het een film is, hou ik mijn hand voor de flits

en zie me verrekken tot schaduw, verdwijn

in de luwte van de straling, verga tot waterstof

en heb eindelijk een inductief bewezen resultaat,

de accepting state subliem bereikt.

 

’s ochtends op het terras heeft de helderheid iets weerzinwekkend.

een enorme smurrie gluten sliert elastisch door de straten, wordt traag

tot netwerken getrokken, rijst, scheurt open, stolt

en blijft toch groeien; gezwel in een gezwel in een gezwel.

stel, we kunnen zeggen of we ooit nog reageren

zullen spreken wanneer we eigenlijk geen antwoord weten,

beloven als we toch wat hadden, dan de vraag te zijn vergeten.

de oneindige tape wringt onder de kop, krult op

en ik kan niet meer volgen, verlies het overzicht

en heb toch lief, of nog: de kleinste vorm van verzet.

 

alles dat eindigt is capitulatie.

time lapse van een zwellende bouwput onder een dreigende storm:

op de noordzee snijdt een eiland zich de polsen over,

abdeslam verdwijnt in het vlees van de macht.

er klinkt het ruisend geluid van een ding zonder richting,

de klik van een lus die wordt gereset.

friedrich hayek kijkt lachend naar de camera.

elke nacht staat turing huilend aan mijn bed.

 

 

 

Comments

Robin Ramael is dichter. Hij is afkomstig uit Brussel en woont en werkt in Amsterdam, was lid van het ondertussen magistraal geëxplodeerde dichterscollectief Omfloerst en is redacteur bij Perdu. Zijn werk verscheen onder meer al in Het Liegend Konijn, Tirade, Deus Ex Machina, op Hard/Hoofd en de Optimist.

Daniël Labruyère

Dataslag

Achter ons ligt de val van de
Sovjet- Unie en de dood van het
gesprek.

Lees verder

Annemieke Dannenberg

Geïnspireerd door de Tuin der lusten van Jheronimus Bosch en Dante’s Goddelijke Komedie, neemt verteller Annamaria Toverberg de luisteraar mee naar een cathartische kermis waar de bezoeker zelf een attractie wordt.

Lees verder

Liza de Rijk

Waar is mijn haai

Het water stroomt de baai binnen.
Wat stroomt er met het water de baai binnen?

Lees verder

Jeroen van Rooij

45°08’59.3″N 59°19’00.7″O

Zout.

Het land is vlak en wit, de lucht ook. De zwerm kraaien is gigantisch, ze landen op de elektriciteitskabels en op de daken van de huizen.

Lees verder

Yentl van Stokkum

GESPREK MET EMILY

je denkt dat je schrijver bent maar je bent een vrouw

Lees verder

Sayonara Stutgard

Judith en ik kijken Forgetting Sarah Marshall

Het eerste wat ik dacht was: Oh, hij is helemaal niet zo lang.

Lees verder

Benjamin De Roover

algoritmes kunnen alles al
daarom, zachte Osama
zijn we hier

Lees verder

Michael Tedja

Maan   Mijn broer is zijn zaad kwijt omdat drugs de maag voedde van zijn stervende zus. Ik ben gestopt met het zweverige werk. Ooit had ik op een postkantoor gewerkt. Ik kon niets zien door die ouderwetse bril. Een universeel koortsmens betrok een vorm. Ik werkte er voor een broodmes en een scalpel. De […]

Lees verder

Arno Van Vlierberghe

Ex-Daemon   Hier staan we dan. Het einde helder, grotesk in zicht. Het krult zich snurkend tot een goed klinkend gedicht. Mooie holle woorden waar iedereen van houdt. Het romantiseren van de dood is een giftig iets. De dood van een fruitvlieg is niet tragisch, is hopeloos. Het beeld van de in witbier verdronken fruitvlieg […]

Lees verder

Anne Becking

Lees verder