Samplekanon

Jacob Groot

On September 11, 2012 by samplekanon

WONDERBAL

1

Het was geen droom die wel of niet
uitkwam, maar iets, de knop
van een plot, kwam uit en vroeg
onmiddellijk om een droom, dat
was het, zo geloven wij, meer niet.
Wat is dan die schittering papa?
Dat is
een diamant jongen. Nu staan wij hier
voor de juwelier maar ook buiten onze
orde geplaatst dwingt hij, dankzij de zucht
die een lust is, de plaats af in de etalage
zelfs zonder een kijker om te bestaan
zoals een ster in het zwerk gewoon
haar werk doet, ze zien wel wat ervan
komt. Ik zal het nooit meer vergeten.
Ook dit mag je nooit vergeten. Hoe
de arbeider diep in de mijn de stof
delft gaat aan de glans vooraf zoals
de wijze waarop hij in de lift het licht
bereikt met niets meer vergelijkbaar
is, zelfs niet met de hoogste sprong
uit het water in het diepste blauw.
Ook dit zal ik nooit vergeten. Mooi.
Je plaats in de wereld is namelijk
de gedachte aan een middelpunt.
Het middelpunt cirkelt om je heen,
zo ver wil je gedachte wel gaan.
Je hebt dit nog niet eerder meegemaakt
zeg je ondertussen tegen de feiten
die maar blijven komen. In een wolk
vraag je? Om een tolk? Op een klok
in een woeling? Kolk? In een talkie?
Je hoort het oordeel, je lel als een lelie
des velds ontplooid, anders dan anatomisch
geschapen van huis uit, als een schelp
in de branding die de hoofdrol
speelt in het lied waarmee de zee
haar zendt: I am the magnificent.

2

Wie niet? Eerst deden we net
of we wisten hoe we moesten
leven. (Dit is nog maar het begin
en meteen zijn we klaar. De sjablone
vraagt eo ipso om een reactie
van de omstandigheden die jammer genoeg
als sneeuw voor de zon verdwenen.) Want
wisten we ook hoe we dat deden? Leven
alsof? Het verleden leeft volstrekt
in de verwachting. Gisteren ik, heden
jij, morgen zij. Eerste gebod (variant):
begin een vlok, wil een kristal, wordt
een parel. Verstuif dan, drift of korrel, tot
een poeder, wie geluk heeft waait een riool
binnen. Wat blijft zijn onachterhaalbare
details in een smeltende vertelling: tweede
gebod, eerste gebed, terwijl de tong
de vlam beweegt: juist als je teruggaat
dwaal je al door de toekomst, dezelfde
kamer gaat open met een nieuwe sleutel
die toch weer uit je handen valt, ook jij
draagt de naam van een ander die ontsnapt
aan je lippen, dank daarvoor. Daarom, mama,
laat hij je achter, bij je man, papa. Daarom,
papa, ben je gebleven wie je bent, Romeo,
in haar ogen, die dwars door je heen naar
haar kuikens keken, en de gift is de kift. O
het hok vol gaas, te klein, en juist dit
grift geen teken, terwijl de uitgang sluit
de keel om het woord dat onbeluisterd
blijft, verwikkeld in een ruzie met de wind
zonder gloed om een schuur vol struiken
met een enkel ei, ook daarvoor dank
in een later gebod, gebed in een eerder
begin, homepage van de hemel: je gezicht
oliet de motor van de zon die eerst
je darmen, dan je hart, dan, naar je
gevoel, niet het leven, maar je gevoel
verbrandt, je was te gevoelig, nu pak je
het zakelijker aan, het is een machine
waarin je woont, het is gewoon een harde
troon die de deur dichtslaat, en je geluk
is een klank zonder toon. Wat kan je nog
gebeuren? Geen geschiedenis heeft verdriet.
Je kunt een vader zijn zonder zoon
of zonder vader een zoon die zegt:
waar bent u niet? Ditzelfde geldt voor
het volgende. Je speelt dat je leeft,
het is een koud kunstje, en op zekere dag
wordt je gevraagd het voor te doen. Waar
ben je? In de abstractie die niemand
ontgaat als de solo, vereist door
de lasso, van de sprong in de lucht.
Wat doe je? Je valt. Maar hoe?

3

Over de buurt straalt onmiskenbaar
Gods genade in de vorm van een tafereel,
af te beelden als volgt. De jongen, jij,
wiens geschiedenis we zijn, hoort door
de oneindig fijn afgestelde microfoon
van zijn gespitste oren de boodschap,
hoog boven de wijk, pover maar schoon,
terwijl hij met een bal tegen een tuinmuur
schiet, waarbij hij regelmaat en kracht
vergroot, verwikkeld in de overgave, ook
aan de knal, totdat de bal op zijn wreef,
gehoorzaam aan een absolute macht,
loodrecht in het blauw uit zicht verdwijnt.
Het is een extra warme dag en je neemt
de tijd om na te denken over het doel
van je leven tot dan toe, in beslag
genomen door de muur waarop de graffiti
beweert dat dit het moment is, Now
is the moment
schrijft de witte inkt
die een acuut motief verraadt, maar
bovendien een grandioos citaat, vind
jij, loszingt uit Dave Berry’s Now,
waarin now beurtelings en tegelijk
the moment
en the time en zelfs the time
to love beslaat, hoe traag Berry ook klinkt.
Je luistert naar de letters die bevelen
dat dit ogenblik, deze versnelde stilte
van de middag in de straat, door te
verstrijken duur wordt, tijd maakt, tijd
die, zelf ogenblik, uit ogenblikken
bestaat, nonstop vluchtige eeuwigheid,
slaperige Berry in een hemelbed vol
zaad, zo moet je het zien, eindeloos
wacht de langgewenste liefde
op de daad over het vale trottoir
onder de zon, en juist op dit moment,
nu, voor altijd, tenminste zo lijkt het,
maar zoals het lijkt is het nu eenmaal,
want de gelijkenis maakt het gezicht,
doemt, diep in het firmament, strikt
vertikaal boven de populier
in de tuin achter de muur, monofoon
of liever diafaan van toon, gezet
in schitterkraal, als van lazuur,
een vliegend voorwerp op, volgens
jou, je hoofd in je nek, geen ufo,
eerder een bolle kroon, brandend
lijkt wel, nu, net of straks, nooit
anders dan in een trans van blanco
ijskristal, alsof Ezechiël zelf, je kent
je bijbel als wie niet, voorspelt na
Berry wat je ziet, hoewel wat het is,
als vuur omgeven door een glans,
verandert, van Montgolfier in
Zeppelin, dan weer een tonronde
bom, maar een bom valt vrij
terwijl deze daalt als een ballon,
of maakt een planetoïde zich los
uit de orde van het heelal en nadert
de aarde waarop je staat? Je zet je
schrap. Enorm, als van een leger,
het dreunen, ‘het geruis hunner vleugels
als het gebruis van vele wateren’, ‘als
de stem des almachtigen’. En nu
opnieuw, maar wanneer niet, altijd
en nooit, zie je, de populier waait
als een waanzinnige, de analogie,
op grond waarvan de spiegeling
de oorsprong vormt. De razende
bladeren slaan de pagina’s om
van het ongeschreven boek, de muur
bevat de passage, de globe draait
zich op haar zij, niemand is verder
op straat behalve jij, ‘men miste,
men miste hen vaag’, zoals de dichter
het wil, je buigt je al, bereid, volgens
dezelfde formule echter staat je
lichaam als de tijd ononderbroken
wonderbaarlijk bevroren in een still,
alleen dit kunnen we nog zien: niet
ver van je hoofd, ja op je voorhoofd
bijna, komt de kolossale bol tot efemere
rust. Klokslag 3 uur. Oblate sferoïde
die de wijk cyclopisch in de schaduw
kust van een vallei, waarin je slaapt.
(Hetzij wij waken, hetzij wij slapen,
wij leven samen biddende. Je waakt over
het woord dat je zag om dit te doen.)
Ik slaap maar mijn hart is wakker,
droom je, dat is alles. Toch droom je
niet het veld waarop je slaapt, de grond
onder je bloed, de bron door je ogen
naar het doel dat ruist, het groene
fonkelen op de harde mat. Relatief
schuif je op in absolute kennis, duik
je per grenslijn zo tot in den hoge
dat buiten jezelf drijf je met redenen
omkleed tot het hartwaartse punt boven
NAP waarop de afstand, onmetelijk,
niet bestaat, zomin als de zwaarte
van het nabije hemelding, de leer is
stoïsch het leer, je schoen verschopt
je voet, dit is het uur van de waarheid
die voorbijgaat maar je wel bepaalt.
Waar sta je? In een diep dal maar
je lichaam schijnt volop. Wat doe je?
Je klimt in een val. Maar hoe? We zagen
het al, alleen jij dacht het niet. Uit alle
macht kop je de bal tegen de muur
en explodeert. Of je ontploft in mij.

4

Ik versplinterde in 4 windrichtingen
tot over 5 continenten verdeelde ik
mijn aandacht, fotogeen steeg ik op
in lichaamsgevoel, sprong ik vol
begrip maximaal limina over en binnen
mezelf zweefde ik radeloos ontkleed
in het centrifugale, daar mijn rol
wist nu de tijding (het licht roept
wel sirenisch maar splijt donker)
die ik verzweeg om te zien hoe wat ik
begeerd had zich van mij afwendde, of
wat ik had genegeerd me terecht niet
meer kende, terwijl ik inmiddels gewoon
met de bal onder de arm naar het huis
was teruggekeerd waar we woonden,
om naar boven te gaan en mijn plicht
te doen, het schrift te leren, figuur
te zagen, aan de tafel van triplex
te denken hoe ik het inzicht dienen
zou, zusje, broer, wat moest ik
voortaan wel niet zijn, plant plus
dier, verdriet mengde ik, geen traan
plengde ik meer, met geluk, pure
liefde met enkel haat, de twee
geslachten vermenigvuldigde ik tot
het ene, gemachtigd te bevruchten
door middel van het smachten als
een gedachte, lucider dan de weg
van de rede die ik monddood volgde
door haar te buiten te treden, naar
de bio om de logos in de landstreek
aan Okeanos’ gouden adem over
de duinen waarlangs edel brandden
de hangers vol snoeren aan kralen
parelmoer, ringen ruisten om de taal
die ik gebruikt had weg te brengen
als een zieke naar zijn bed om te
genezen, in de golven verloor ik dan
haar etter onder korsten die weken
de wonden, hoe vies de zee verder
ook was, hoe viezer hoe beter ik daarna
sprak, namelijk niet, in de tongval
van de stilte die nu de stem, schoner
maar de mijne niet langer, hoewel
ik haar hoorde, brak in het ultrasone.

Jacob Groot is dichter, essayist en romanschrijver. Hij publiceerde onder meer het cultboek Gelukkige Lippen (2004), over de zingende stem in de popmuziek. Zijn meest recente poëziebundel is Divina Noir (2010). Zijn vuistdikke roman Adam Seconde verschijnt in het najaar van 2012 en licht het doopceel van onze virtuele bandeloosheid.

Comments

comments

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>