lj de brouwer

DE HEILIGE RITA, PATROON VAN DE HOPELOZE GEVALLEN

Het is donker in huis. De hond blaft. Ondanks het herfstelijke weer staat de deur open. Tante herkent me nog niet. Ze kijkt vragend. Vriend of vijand? Domme gedachte. Voor tante is niemand een vijand. De hond blijft blaffen. Ik wil naar tante toe lopen. Ge moet eerst goeiendag zeggen tegen Princess. Zo gaat dat hier tegenwoordig. De hond springt blaffend tegen me aan. Blijft dan enkele seconden op haar achterpoten lopen. Ik streel haar rug. Ze likt mijn armen. De baas in huis, zeg ik lachend. Ja. Ik kus tante op de wang. Er zitten tranen in haar ogen. Ze ziet dat ik het zie. Ja. Het is wat veel de laatste tijd. Kent ge Rita? De buurvrouw van hiernaast? Ik knik. Ik weet ongeveer over wie ze praat. Ik ben net terug uit de kliniek. Longkanker. Ik was te vroeg voor het bezoekuur. Ze lieten me toch al binnen. Ze moet eigenlijk naar de palliatieve. Daar moogt ge binnen en buiten lopen zoals ge wilt, maar ze hebben geen plaats. Der zijn nog drie wachtenden voor haar. Weet ge wat dat wil zeggen? Ik glimlach. Ga op de kruk naast haar zitten. Dat der nog drie moeten doodgaan voordat ze plek heeft. Nee, vier! Nu ja. Ze hebben me toch binnengelaten. Ik ken haar al tweeëntwintig  jaar. Van de moment dat we hier zijn komen wonen. Vijftien jaar oorlog en zeven jaar vriendschap. Hebt ge al iets voor te drinken? De trappisten staan buiten op tafel. Brengt voor mij ook enen mee. Ik sta op. Ik wilde eigenlijk niet drinken vandaag. Eentje dan. Ik ga weer zitten. Tante steekt een sigaret op. Ik wist niet dat ik haar zo graag zag, Rita. Ik kost vroeger haar ogen uitkrabben. En zij de mijne. Als ik op straat stond te babbelen mee andere buren, terwijl ik mee Dimitrij in zijne rolstoel ging wandelen, dan kwam ze naar buiten roepen van der zijn wel mensen die ‘s nachts werken. Of are vent. Gemeenteraadslid voor het Vlaams Belang. Als ons R jeugddichteres van Destelbergen werd, is hij uit de gemeenteraad vertrokken omdat hij het niet kost verdragen dat buitenlanders in Destelbergen de prijzen komen wegkapen voor de neus van de autochtone jeugd. Ons R trekt dat haar allemaal niet aan, maar ja, aangenaam is dat niet.

Ik zie haar nog komen. Zeven jaar geleden. Het was den elfsten november. Princess likt aan mijn tenen. Ik neem een slok van mijn trappist. Smaakt lekker. Plots stond ze hier op den hof. Are vent, de Roger, was omgevallen en ze kost hem niet rechttrekken. Ik stond op voor te helpen, maar ik was niet goe genoeg. Het moest een sterke man zijn. Onze P is dan meegegaan. Heeft de ambulance gebeld. De politie is gekomen. En een lijkschouwer om te zien of dat der niks crimineel aan was. P is de hele tijd bij haar gebleven. En ik heb hier gewacht. Heeft bijna nen hele dag geduurd. Tante wordt afgeleid. Mijn jongste nicht S komt met een ladder binnen. Wat gaat ge daarmee doen? S kijkt verveeld. Naar de zolder. Mijn zus moet daar nog oude kleren hebben liggen. Vroeger interesseerde mij dat niet, maar vintage was toen nog niet trendy. Daar liggen geen kleren. Jawel. Ik heb het gevoel dat deze banale interactie op elk moment kan escaleren. S loopt de trap op. Tante draait zich weer naar mij. Ik was dus in de kliniek vandaag en are Henri was der ook en Laetitia, aar dochter. Ge ziet ze zwakker worden. Ze kan al een paar dagen niet meer eten. Just ne cola kan ze nog binnenhouden. Toch nog een beetje suikers. We stonden mee ons twee buiten te roken. Als ge toch al longkanker hebt. Ik vroeg haar: ge gaat toch niet weglopen vannacht. Ze verstond me niet. Ik denk dat ik te zachtjes sprak. Tante steekt nog een sigaret op. Ik wil er ook een. Vandaag niet. Discipline. Ik zei nog ne keer: ge gaat toch niet weglopen vannacht? Ze antwoordde, lachend, maar nee B, de bedden hier liggen veel te goe.

Tante pinkt een traan weg. Ik neem nog een slok van mijn Westmalle. Ik ben blij dat ge hier zijt. Het is wat te veel vandaag. Twee goede vrienden gaan na vijfendertig jaar uit elkaar. De constante spanning mee ons S. Ze heeft een borderlinediagnose gekregen. Mijne P had gezegd dat hij nog wel een pleegkind derbij kost nemen, maar gene meer mee nen handicap. En kijk, nu zitten we iermee. Bij onze Dimi was de situatie hopeloos, maar ge had nog het gevoel dat ge iets kost doen om zijn leed lichter te maken. En dan Rita op haar sterfbed. Ik wist niet dat ik haar zo graag zag, Jef, euh sorry, LJ-hun. Ik ga het nog wel leren ze. Ik glimlach. Geen zorgen. Vijftien jaar lang waren we vijanden en dan stond ze hier. Ik weet het nog goed. Het was de twaalfde november. De deur was dicht. Het was al vree koud dat jaar. Ik zag haar heel traag schuifelend den hof opkomen. Voor de deur stond ze te wachten. Mee haar handen op are rug. Ik ben gaan opendoen. Kom binnen, Rita, zei ik. Ze kreeg de woorden bijna niet over haar lippen, dan zei ze, rooie ratten kunnen precies ook nog goeie mensen zijn. Zet u, antwoordde ik, moet ge een koffietje hebben? En zo is het begonnen.

P komt binnen. Zegt vriendelijk gedag. Hij haalt een Duvel in het tuinhok en zet zich in de living met een boek. Over Napoleon gok ik. Tante gaat naar het toilet. Ik zit even te dromen. Laat mijn blik dwalen over de iconen aan de keukenmuur. Huisplanten hangen tussen de kookpotten aan het dak. Sterven. Ver weg. Ooit. Zou tante angst hebben voor de dood? Ik hoor de wc doorspoelen. Tante komt de keuken weer binnen. Ze hebben de kanker gevonden omdat ze haar plas niet meer kost inhouden. Gelachen dat we daarover hebben. Allez, Rita, zei ik, dat is nu toch niet zo erg, ge kunt toch een pamper dragen. Of laat het gewoon lopen. Draag wijde broeken. Dan kunt ge het zo lekker warm over uw billen naar beneden voelen stromen. Ja. Aar blaas was kapot. Der was nogal veel beweging geweest daar vanonder. Ze heeft van haar veertiende tot aar tweeënvijftigste in het glazen straatje gewerkt. Als we een paar cava’s hadden gedronken, begost ze daar wel es over te vertellen. Het is werk gelijk een ander en geen werk gelijk een ander. Ge hebt het soms wel eens gehad na een drukke dag en dan komt de volgende en dan glimlacht ge en zegt tegen uzelf, allez, eentje moet nog lukken. Achtendertig jaar. Ge kunt u voorstellen dat het daar vanonder serieus versleten moet zijn. Ik lach. De eerste keer dat ze mij over haar vroeger werk vertelde, zei Rita plots, maar B, gij veroordeelt mij niet. Waarom zou ik dat moeten veroordelen? Ik knik. We verkopen wij allemaal onzen tijd voor geld hé. Het zou me niet verbazen moest ons S dat ook nog gaan doen. Ik knik opnieuw. Veel transmensen werken als sekswerkers. Ik ken er wel een paar. Tante kijkt me bezorgd aan. Doet gij dat ook? Nee. Heb er wel eens over nagedacht. Stilte. Tante neemt een slok van haar trappist. Ik doe dat niet meer seks. Hoeft niet meer voor mij.

Ze gingen haar dus opereren aan haar blaas. Mee botox zouden ze die terug goe proberen steken. Ze reageerde vree slecht op de lokale verdoving. De dokter heeft direct alles stilgelegd en haar onder ne scanner gestoken. Een tumor op haar longen. Acht centimeter. Ik kijk verbaasd. Had ze dan geen pijn? Jawel, jawel, ze was al vaak mee rugpijn naar den dokter geweest. Osteoporose, zei die, oud worden. Ik had ze de laatste maanden serieus zien afvallen. Dat is eigenlijk het eerste wat ge doet als huisarts bij mensen die al wat ouder zijn: ge zet ze op de weegschaal. Als der een kilootje afgaat en dan weer bijkomt, dat wil niks zeggen, maar als het gewicht maand na maand afneemt, weet ge dat der iets niet just zit. Ze mocht direct naar palliatieve. Goh, Jef, euh LJ-hun, ik wist niet dat ik haar zo graag zag. Ik vind het moeilijk. Tante huilt. Ik sta op. We knuffelen elkaar. Sorry dat ik hier de hele tijd zit te neuten. Is niet erg. Ik ga weer zitten. Ik ben blij dat ge gekomen zijt.

Een paar maanden nadat are man gestorven is, is ze dan mee den Henri samengekomen. Ze vroeg mij of dat dat niet te snel was. Of dat ze wel genoeg gerouwd had om al aan ne volgende vent te beginnen. En wat zouden de mensen wel niet zeggen? Maar ja, het was gebeurd. En ‘t is zo ne lieven vent. Ik zei tegen Rita dat ze haar daar allemaal niks van moest aantrekken. De mensen praten toch. Als ge te lang alleen zijt, dan zeggen ze dat ge in uw verdriet blijft hangen. Als het goe voelt, moet het ook wel goe zijn. Ge hebt gelijk B, antwoordde ze, en ik heb nog niet genoeg gegloeid. Ik lach. Schoon gezegd. Ja hé. Henri moest eerst niet van mij weten. Ik ben te slim voor hem denk ik. Een gestudeerde vrouw. Hij is ook ne slimme mens, maar hij is al op zijn veertiende als dakwerker begonnen. Veel tijd om te studeren hebt ge dan niet hé. Mee Rita was hij de zachtheid zelve. En bloeien dat ze deed. Ze had echt meer kleur in haar gezicht. Ik denk dat ze are man ook graag gezien heeft, maar dat hij wel een dominant alfamanneke was. Hij is lang are pooier geweest. En den Henri, die behandelt aar gelijk een prinses. Ik glimlach. Da’s mooi. Dat ge zo laat in uw leven nog kunt ontdekken wat tedere liefde is. Tante drinkt haar trappist leeg. Ik haal nog een en vul haar glas. Ze steekt een sigaret op. Liefde. Zacht zijn. Strelen. Spreken. Geloven. Marcus, Matteüs en Lucas vertellen alle drie hetzelfde verhaal. Jezus kwam in één of andere stad. Een man dook op. Van boven tot onder melaats. U kunt me beter maken, Heer, als u dat wilt, sprak de man. Jezus raakte de man aan. Ik wil het. Word beter. En meteen was hij genezen.

Ze kwam hier binnen mee het nieuws een paar weken geleden. Ik zei: wat wilt ge Rita, dat ik huil of dat ik lach? Lachen B, antwoordde ze, we hebben toch die zeven jaar gehad. Ik wil nog niet dood. Ik had nog twintig jaar mee mijne Henri van het leven willen genieten. Maar die zeven jaar pakken ze mij niet meer af. Tante zwijgt. Ik weet niet goed wat te zeggen. Helpen verhalen van geloof bij hopeloze gevallen? Maak het waar door je houding. Geloof maakt je beter. En toch takelt het lichaam af. Jezus is nooit oud geworden. Staat er ergens in het nieuwe testament een beschrijving van kreupele oude mensen? Ik wilde lachen als ik vertrok in de kliniek daarstraks. Ik moest wenen. Rita zei, maar B, ge hebt beloofd dat ge ging lachen. Ik weet het, zei ik, ik weet het. Denkt ge dat het de laatste keer was dat ge haar zag? Tante schudt het hoofd. Nee. Nee. Morgen ga ik terug. Ik ken het nog van onze Dimi. Als ge stopt mee eten duurt het nog ongeveer twee weken tot het lichaam helemaal leeg is. Ik denk dat ze het wel nog tot na het weekend trekt. Dimi had ook zo’n houding. Hij wilde niet gaan. Maar hij kost het ook aanvaarden. Hij wist dat het niet meer verder kost. Ze draagt het zo sterk. Ze is niet bitter. Ze vindt het niet onrechtvaardig. Het is wat het is. En die zeven jaar. Die heeft ze toch gehad. Misschien is dat ook wel een van de redenen dat mij dat zo hard raakt. Het herinnert me erg aan onze Dimi. Merci voor uw bericht trouwens vorige week op zijne verjaardag. Betekent veel voor mij dat der nog mensen zijn die aan hem denken. Ik knik. Ja. Zestien jaar is hij al dood. Tante steekt nog een sigaret op. Der komen elk jaar minder mensen, zegt ze, terwijl ze de as aftikt. Minder berichtjes. Minder bloemen. Dat doet pijn. Op zijne verjaardag, een paar jaar na dat ij gestorven is, kwam der iemand op bezoek die ons nog niet lang kende. Hij kwam binnen en vroeg wat we aan het vieren waren. De zeventiende verjaardag van mijne zoon. Hij keek verbaasd. Een zeventienjarige heeft toch niks aan zoveel bloemen? Ik lachte. Nen dooien wel.

Ik lach hartelijk. Kende dit verhaal al. Ik maak oogcontact met een moeder Gods op een van de vele iconen op de muur achter tante. Tante kijkt me liefdevol aan. Dan naar Dimi’s foto naast het fornuis. Ik volg haar blik. Hij ligt op zijn bed waar hij altijd lag. Hij glimlacht. Zijn diepe donkere ogen stralen zacht. Zo stel ik me soms Jezus’ ogen voor. Tante kijkt terug naar mij. Ik weet wat er nu gaat komen. Grote complimenten maken me ongemakkelijk. Maar dit ritueel hebben we in de zestien jaar sinds Dimi’s dood al vaak gedaan. Meestal ergens tussen de derde en vierde Westmalle. Hoeveel keer zijt gij niet voor hem dood gevallen? Honderden keren. Duizenden keren. En altijd weer opstaan. En altijd bij hem blijven. Nooit verveling tonen. Het leek alsof het u niet uitmaakte dat hij niks meer kost. Dat ge dat niet zag. Ik knik. Ik voel me altijd te heilig gemaakt op zulke momenten. Ik weet zelf niet zo goed waarom ik dat deed. Het was een soort plicht. Dimi was mijn vriend. Maar omdat hij in onze grote familie degene was die het dichtst bij mij stond qua leeftijd, was ik ook een beetje verantwoordelijk voor hem. Ofzo. En verantwoordelijkheidsgevoel bij een kind is vaak belangrijker dan plezier. Jaren geleden sprak ik op een moment als dit, toen ik net zo zat was als tante nu, mijn schuldgevoel uit dat ik hem op familiefeestjes soms had dood gewenst nadat ik voor de zoveelste keer aan zijn bed was neergevallen. Ik wilde liever met de anderen buiten spelen. Tante liet me toen bijna niet uitspreken. Ze zei: ma zotteke, ge moet u daar toch niet schuldig over voelen. Ik heb hem ook vaak dood gewenst hoor. Dag in dag uit zorgde ik voor hem. En om den duur kost hij niks meer alleen hé. Ik kijk naar de plek waar Dimi’s bed stond. Op het eind in de keuken, zodat tante steeds bij hem kon zijn. Lang na zijn dood heeft het er nog gestaan, tot het werd vervangen door een leeszetel. Buiten de katten heb ik er nog niet vaak iemand in zien zitten. Dimi was mijn vriend, zeg ik. Het voelt ook wel goed zo bewierookt te worden. Soms denk ik dat ik misschien steeds weer mijn tante bezoek om een hoopje liefde op te halen. Een beloning voor iets dat ik ooit gedaan heb als ik nog een ander mens, een kind, was. Nu ja, is niets mis mee zeker?

Wilt ge nog een trappist? Een halfke. Princess loopt op haar achterpoten met me mee naar de tuin. Mijn sokken worden een beetje nat. Blijkbaar miezert het. De Westmalles smaken hier het beste. Zeker deze tijd van het jaar. Als ze buiten staan en het herfstig koud is. Ik ga terug zitten. Schenk tante en mij in. Sorry dat ik zo zit te neuten vandaag, Jef, euh LJ-hun. Ik ga het nog wel leren ze. Vijf jaar heeft de genderpsycholoog van onze S gezegd. Vijf jaar duurt het om de naam en de voornaamwoorden van iemand in uw hoofd te veranderen. Bij onze S doe ik het alleen nog maar als ik over het verleden spreek. Als zij een kindje was. Dan was ze nog ne jongen hé. Ik zeg niets. Leg mijn voeten op een van de deurtjes van het altijd warme AGA-fornuis. Haal ze weer weg als het te heet wordt. Tante steekt een sigaret op. Weet ge, begint tante, het laat u merken dat de dingen voorbijgaan. Ge wilt ze vasthouden. Maar alles verglijdt. Dimi wordt langzaam vergeten. Rita zal langzaam vergeten worden. De charismatici. Die vergeet niemand. Maar onze Dimi heeft niet veel tijd gehad om nen indruk achter te laten. En Rita is zo’n nukkig mens. Ergens tijdens onze zeven jaar vriendschap was ze dan toch van plan de Vlaamse leeuw van haar gevel te halen. Mijn invloed heeft gewerkt. De nacht voordat ze het ging doen, zijn der mensen gekomen die hem met stront hebben besmeurd. Stonk serieus. En het druipte op aren drempel. Als het zo zit, zei ze, dan laat ik hem hangen. Stilte. Ik glimlach. Ja. Ik zie haar toch liever dan ik had gedacht. Ge moet lachen B, zei ze daarstraks. Morgen ga ik terug. Ze wil niet gaan, dat voelt ge, maar ze kan het wel aanvaarden. Die zeven jaren van liefde mee Henri heeft ze toch gehad hé.

Ik kijk naar een van mijn lievelingsiconen. Een reproductie van de zwarte madonna van Czestochowa. Nog geschilderd door Lucas de evangelist zelve. Ze houdt het kind vast. Het kind is de grote hoop. Ze zal het kind verliezen. Is de heilige Rita niet de patroon van de hopeloze gevallen, bedenk ik me plots. Ik neem tantes telefoon. Google. Lees voor. Nadat haar gewelddadige man werd vermoord door een rivaliserende familie, wilde Rita in een klooster intreden. Dit werd echter herhaaldelijk afgewezen, omdat een familielid van de moordenaarsfamilie daar ook verbleef. De abdis van het klooster stelde haar voor een onmogelijke opdracht: ze moest de families na een generatielange vete eindelijk met elkaar verzoenen. Na vele jaren slaagde ze hierin. Daarom is ze ook bekend als symbool voor vergeving en verzoening. Tante lacht luid. Ze huilt ook. Ik lees verder. Op haar tweeënvijftigste ontving Rita een stigma. Een doorn van Jezus’ kroon plantte zich in haar voorhoofd. De wonde zou tot aan haar dood openblijven. Hebt gij uw vader nog gezien of gehoord, vraagt tante plots. Ik schud mijn hoofd. Krop in de keel. Hier komt hij ook niet meer. Al zou ik hem wel binnenlaten, moest hij voor de deur staan. Blijft mijn broerke hé. Ik knik. Wil iets zeggen. Lukt niet. Weet ge, LJ, niet veel mensen begrijpen dat, maar ge moet sterk zijn om dat vol te houden. Ik zag mijn vader ook graag. En als kind trekt ge altijd naar uw ouders. Maar hij was te schadelijk. Ik moest mezelf en mijn kinderen voor hem beschermen. Ge moet sterk in uw schoenen staan om dat vol te houden.

Kent ge dat liedje van Simon & Garfunkel? Hoe heet het ook alweer? Slow down, you move too fast. Zo begint het. Zo voel ik mij. Het gaat allemaal zo snel. Alles slipt weg. Rita is drie jaar ouder dan ik. We zoeken het lied op. Tante staat op. Ze neemt mijn hand. We schuifelen zachtjes tegen elkaar aan. Hello lamppost, watcha knowing, I’ve come to watch your flowers growin’. Ik ruik de aardse geur van tantes haar. Ik ruik rook. Alcohol. Haar vereelte tenen duwen tegen mijn tenen. All is groovy. Het liedje is snel voorbij. We staan voor de iconenmuur. Het moet niet waar zijn, maar het moet wel schoon zijn, zeg ik. En troosten, voegt tante toe. Ik glimlach. Vertel haar over die keer dat Mémé en ik op uitstap waren naar Lichtervelde, haar geboortedorp. Mémé was al een beetje dement. En ik had geen smartphone. We raakten verdwaald met de auto op de West-Vlaamse steenwegen. Al de hele dag regende het pijpestelen. Op de radio speelden de klarinetconcerten van Mozart. Mémé had toen we vertrokken gevraagd aan Dimi of dat hij zou kunnen stoppen met ons te koeioneren van daarboven. Hij was weer jaloers dat hij er niet bij kon zijn op onze uitstap. Meermaals had ze het herhaald als we dichter bij Lichtervelde kwamen. Als we er bijna waren, zei ik, Dimi, het is nu wel genoeg geweest, we zijn er bijna. En enkele minuten later stopte het met regenen. Mémé zei: als gij het vraagt, dan luistert hij natuurlijk. We hebben die dag nog in de zon op het terras gezeten. Bij ‘t Damberd aan de kerk. Tante knijpt in mijn hand. Ik maak me klaar om te vertrekken. Krab Princess nog even over haar buik. Tante begeleidt me naar buiten. Stuur me een berichtje als ge der zijt hé. Ge kunt ook hier slapen. Ik knik. Hebt ge licht op u fiets? Ja. We knuffelen. Ik vertrek.

Comments

lj de brouwer groeide op aan de Belgisch-Nederlandse grens en woont in Berlijn. lj werkt aan een roman en een dichtbundel rond christelijke lichamelijkheden en verdeelt hun tijd tussen de bibliotheek – voor onderzoek naar de geschiedenis van gender, seks en het christendom – en de stad, waar lj diens lijf rondwerpt om die geschiedenis aan het eigen lichaam te ervaren. Teksten van lj verschenen o.a. bij Kluger Hans, DIG, De Revisor en FRP. In 2024 werd lj geselecteerd voor de schrijfresidentie van deBuren.

Hank van der Heijden

dyslexie teelt welig in waynecorp worldwide
naast waanbeelden op miljarden schermen

Lees verder

Nguyễn Thị Mai

ik stift mijn lippen koraalrood
het kapitaal geeft aan dat ze mijn motivatie nog niet begrijpt

Lees verder

Bert van Beek

wie zegt
dat je altijd kunt vertrekken,
begrijpt niet
hoe breuklijnen zich gedragen.

Lees verder

Dominique De Groen

Voor Bella glinsterde in de verte nog steeds de belofte van de final girl

Lees verder

Dennis Gaens

A little girl went crying. Poor Trey. Poor Trey. She had lost her dog. And someone thought she was saying poetry.

Lees verder

Forough Farrokhzad

Wat kan een moeras zijn behalve een broeiplek voor corrupte insecten?

Lees verder

Frances Welling

zal de rivier er klaar voor zijn?

Lees verder

Luna Schuddinck

hoe een goede erflater te zijn en geen invasieve exoot?
xoxo

Lees verder

Ljiljana D. Ćuk

Ik ben een nep-Orpheus, ik ben niet eens afgedaald naar de hel. Ik ben een vastgelopen boot van schijn.

Lees verder

Yaiza Berrocal

Voor de goede orde wordt deze samenwerkingsovereenkomst in drievoud opgesteld en ondertekend door de betrokken partijen.

Lees verder