Anna van Leeuwen

Blokkentoren
Tegen de muur bij het raam staat een groot felgekleurd boek in de vorm van een jongetje. Kinderen kunnen door deze kartonnen jongen bladeren en onder begeleiding van hun ouders zijn darmen bestuderen of een doorsnede van zijn piemel; het is maar net waar het interessegebied van het kind ligt of wat het mankeert. Bij dokter Coolen aanbeland, nadat ik in een vrij rap tempo dokters Geurts, Daalsen en De Bruijn versleten had, ben ik te oud om door de jongen te bladeren, al zou ik het wel willen.
Meestal is de wachtkamer ’s ochtends leeg. Nu ook. Ik arriveer iets voor negen uur. Ik kies vandaag de stoel zonder armleuningen en betrap mezelf er na vier minuten op dat ik op mijn bovenbenen trommel. Een gewoonte die mijn moeder me tevergeefs probeerde af te leren, net als al mijn andere zenuwtics, die ik ben blijven koesteren sinds ze me aan haar doen denken. Het is niet eens iets ritmisch wat ik doe, geen tikkedietikboem of zoiets, meer een soort kloppen, alsof ik voel of mijn benen hol zijn. Een beetje, vermoed ik, maar weer waag ik het er niet op mijn nieuwsgierigheid bot te vieren op de kartonnen jongen. Mensen zouden er van alles van kunnen denken en dat doen ze al zo veel. Ik denk dat het ligt aan de twee strepen die aan weerszijden van iets buiten mijn neusvleugels richting mijn kin lopen. Die moeten geleidelijk zijn gekomen, want ineens merkte ik ze op, een jaar of vijf geleden en toen heb ik meteen mijn pasfoto’s van jaren daarvoor er op nagezocht. Daar stonden die lijnen al ingekerfd. Iets subtieler, maar duidelijk herkenbaar. Nooit gezien. Verder schijn ik er patent uit te zien en verzorgd ook, vrouwen geloven amper dat ik alleen ben. Maar die lijnen, die twee verticale, of misschien eerder diagonale lijnen (ik heb geen spiegel bij de hand en als ik denk aan mijn gezicht zie ik mezelf als twintiger voor me, merk ik), die zorgen ervoor dat mijn lach, precies de lach die ik altijd al had en waar ik soms zelfs successen mee geboekt heb, een beetje eng is. Mijn lach is een rare grimas geworden, waarin alleen bekenden nog de oprechtheid herkennen. Met kinderen ben ik tegenwoordig een ramp, wat ook voor mij overigens geen pretje is. Als ik me vroeger in de gangkast onder de trap opsloot, wanneer we verstoppertje speelden, was ik het bangste dat ik gevonden zou worden. Niet omdat ik niet tegen mijn verlies kan, maar omdat mijn zusje van mij zou schrikken. Van haar schrikken zou ik op mijn beurt schrikken en zo door, waardoor ik in het donker in de gangkast met een luid bonzend hart wachtte op de gil. Vaak gaf ik het na een paar minuten op. Dat met dat schrikken heb ik nu met kinderen. Ik schrik van hoe zij schrikken en ik begrijp het ook. Soms denk ik ‘s ochtends dat iemand het lijk van een oude man achter mijn spiegel heeft verstopt.  
Tien over negen. Ik bekijk mijn nagels, mijn veters en dan de neuzen van mijn schoenen. Er valt heel wat aan te doen en als ik eraan denk is dat iets voor vanmiddag. Aan de kapstok tegenover me hangt een lange blauwe sjaal. Voor de kartonnen jongen, bij zijn voeten, liggen blokken. Ze zijn netjes opgestapeld. Te netjes. Mogelijk een ijverige moeder of een kind met zo’n moderne stoornis. Misschien legt de doktersassistente ‘s ochtends de blokken op elkaar. Zij is hier altijd als ik er ben en aan de telefoon zegt ze haar voornaam, iets waar ik aan wennen moest. Haar naam doet me denken aan die van een escortbureaudame of striptease. Het is een professionele naam, voor een heel andere professie, maar ik kan er even niet op komen, het zal wel buitenlands zijn. Nu bloos ik als ik de dokter bel. Vandaag heeft ze een groene blouse aan.
Bijna half tien. Ik bekijk de plek op mijn elleboog. De huid is dun en schilferig. Schilferig, niet korstig, heb ik aan de telefoon uitgelegd. Als ik er met mijn hand langs strijk vallen er schilfers op mijn schoot. Ik veeg ze eraf en ze dwarrelen op de grond. Dokterspraktijken zijn altijd een beetje viezig. Zelfs in deze steriele wachtkamer zal ooit het bloed hebben rondgespat en mijn schilfers mengen zich nu op de grond met allerlei andere lichaamseigen stoffen. Er zal ook wel gekwijld zijn hier, en gehuild. Met een beetje fantasie en minder stoelen zou de wachtkamer een zeer geschikte gevangeniscel zijn. Het licht, het linoleum. Wel onhandig op de begane grond met een raam dat open kan. Als ik opsta en het raam open, zou ik binnen een paar minuten op mijn fiets kunnen zitten. Ik krab in mijn lies terwijl ik mijn ogen op de deur gericht houd. Ik hoop niet dat de dokter de schilfers in mijn lies hoeft te zien, maar ik heb wel een nieuwe onderbroek aangedaan voor het geval dat.
De telefoniste neemt de telefoon een paar keer op, hoor ik, maar ik kan haar niet verstaan. Het is nu al bijna kwart voor tien en ik vermoed dat ze me is vergeten. Ik heb een paar keer met mijn stoel geschoven om haar aan mij te herinneren. Het piept een beetje, maar minder hevig dan ik hoopte. Ik sta op en open met twee vingers de luxaflex, zodat ik als een soort gluurder of detective mijn fiets kan zien. Die staat er nog. Ik kan ook de voordeur zien.
Om tien uur besluit ik de praktijk via het raam te verlaten. Ik wil de assistente niet in verlegenheid brengen of op mijn geweten hebben dat haar functioneren in twijfel wordt getrokken. Ik zal telefonisch een nieuwe afspraak maken. Over een week bel ik haar. Om het raam te openen moet ik de luxaflex omhoog doen en dan het touwtje ergens aan vasthaken, zodat het hele spul niet weer naar beneden dendert. Na wat gesjor, lukt het me. Voordat ik het raam open, wacht ik even tot ik haar weer aan de telefoon hoor. Ik moet mijn rechtervoet, met een beetje hulp van mijn rechterhand, over de vensterbank tillen en op mijn linkerbeen hupsen om in de juiste positie te komen, om vervolgens ook dat been naar buiten te zwaaien. Het is bij dat hupsen dat ik struikel over de blokkentoren, mijn evenwicht verlies en het uitschreeuw terwijl mijn kruis landt op het hoofdje van de kartonnen jongen.


Anna van Leeuwen (1982) is web- en eindredacteur van kunsttijdschrift Kunstbeeld en redacteur van hard//hoofd. Na haar studie Wijsbegeerte schreef ze over hedendaagse kunst voor o.m. Tubelight, de Volkskrant en Liefde in de stad. Op hard//hoofd schreef en schrijft ze verhalen naar aanleiding van contactadvertenties en oproepen in de Albert Heijn. Zie ook:
 www.annavanleeuwen.nl

Comments

One thought on “Anna van Leeuwen

Comments are closed.

Asha Karami

kapitalisme zorgt voor de achteruitgang van zaadkwaliteit   maar of dat erg is een pathologisch plot ligt om mij heen je verminkte oog wacht neem een slok grijze snor in rolstoel je vat kou zo ik zuig aan je knieholten gebleekt diertje van me hey lieverd je bent gewoon een vraag en ik wil dat […]

Lees verder

Flora Woudstra

Ik wikkel jassen en stola’s van drie generaties vrouwen om mij heen en beweeg door placebo-winters tot ze uiteenvallen. Sporen van erfelijke waanzin      lekken uit de wijde mouwen. Mijn moeders vingers stikken de gesleten stof maken een duik in de gevlochten mand op zoek naar garen stevig genoeg om de doden naar hier […]

Lees verder

Nguyễn Thị Mai

ik ben een maatschappelijk probleem    in 2018 wil ik een gemene chili peperplant groeien zodat ik jullie allemaal kan vergiftigen afbreken en doen herleven als schimmel dit is een vorm van wereldpolitiek ik heb al een tijdje niet geslapen slenter door de stad en staar naar mijn mobiel liefste, de dagen zijn lang zonder […]

Lees verder

Lokienprijs voor Samplekanon

De Lokienprijs 2018 is toegekend aan Samplekanon. Deze prijs, ter waarde van € 5000, is ingesteld door de Sybren Polet Stichting om het schrijven van vooruitstrevende, onconventionele en experimentele teksten te bevorderen. De jury, bestaande uit Jos Joosten, Bart Vervaeck en Marieke Winkler, deelde de volgende overwegingen met ons:  Dit literaire online-tijdschrift, dat in 2012 […]

Lees verder

Fiep van Bodegom

Het eiland van de pijnbomen en later ook de jeugd   We kwamen uit alle windstreken. Donkere kinderen met lange, dunne schenen, kinderen zo bleek dat je geen lijnen kon onderscheiden, slechts hun omtrek. Kinderen uit warme, koude en gematigde klimaten. We waren met onze onderwijzers naar het eiland gekomen en werden ieder in onze […]

Lees verder

Maurits de Bruijn

er zijn mensen die het woord er niet mooi vinden en zeggen dat je het altijd weg kunt laten door mijn straat liep een kameel daarop een bruidegom tussen zijn benen witte rozen nooit had ik iemand gezien die zo af was ik zat met Iers bier op tafel in een café waar we als […]

Lees verder

Maartje Smits

                                                                  Maartje Smits (1986) is dichter, detective en imker. In 2015 verscheen haar dichtbundel Als je een meisje bent. Ze studeerde Beeld & […]

Lees verder

Linda Carolien Veldman

    Linda Carolien Veldman (1989) studeerde Filosofie en Cultural Analysis in Amsterdam en Berlijn en schrijft poëzie, vaak in meerdere talen. Afgelopen zomer ging ze als dichter met deBuren naar Parijs, sindsdien staat ze met enige regelmaat op het podium om haar gedichten voor te dragen. De eerste tekst kwam tot stand in het […]

Lees verder

Nils Chr. Moe-Repstad

6e vergiftiging   Na het feest, lieveling: ‘als je bij mij blijft staan, zul je horen dat vogelzang altijd al ritueel was’ wie van gezang houdt, houdt van het schrift als een oeroud ritueel ik ben het hallucinerende drijven naar dat wat nog niet giftig is een droevigheid van water en zware metalen onder het duistere, […]

Lees verder

Roemer lezen 2

wij activeren beelden wij houden onze archieven vloeibaar door te bewegen we roepen schaduwen op die onzichtbaar blijven nemen luxe waren om nooit te vergeten we zoeken iets dat altijd blijft een zee achtervolgers, mijn onderduik wij activeren beelden tijdens de reis wij activeren wonden, leggen scherven uit, zoeken woorden erbij, we kijken de toestand […]

Lees verder