Amber Mitchell

in aanbouw/ in afbouw


Ze pakken mijn stukjes lego af. Scheuren ze los. Trage, holle tanden.

Er zijn twee hoeken aan de zijkanten van mijn lijf, ze rusten onderaan mijn buik. Ik noem ze veilig terrein. Ik ga mijn bed niet uit voordat ik er met mijn duimen op trommel, mezelf ervan verzeker dat ze er nog zijn. Er zijn twee verradelijke benen. Ze beloven niets. Ik sta op en ga weer zitten. Wacht. Sta op en besluit: koffie.

Er is een dag en een routine. Er is de verwachting elke dag de routine te volgen en niet dezelfde te blijven. Ik weet hoe dat moet. Ik weet niet hoe dat niet moet.

Er zijn manieren van kijken, schakelaars om in één van beide richtingen te duwen. Weten is hier niet van toepassing. Er is de verwachting de balans te kunnen bewaken tussen twee staten van zijn: in aanbouw/in afbouw. Er is de keuze, er lijkt de keuze –zomaar  voorhanden– tanden onschadelijk te maken. Gemak lijkt op fraude.

Er is een jongen uit een trein op een perron. We rijden op een fiets naar een shoarmatent, ik voorop. Hij knijpt in mijn buik, houdt zich eraan vast. Hij grijpt naast de hoeken onder mijn buik. Hij grijpt mis. Dat zeg ik niet.

Er is een verlangen naar zout. Voor me staan drie lege bekertjes Turkse drinkyoghurt. Zout. Ik lik de laatste druppels van de randen. Hij kijkt toe. Knijpt zijn ogen fijn, bijna dicht. Neemt een hap van zijn broodje. Kauwt. “Voordat ik hier kwam heb ik op trappen gezeten. Niemand heeft me gezien.

‘’Ik ben een wolf vermomd als vos,” zegt hij. Zijn mond gevuld met pita en knoflooksaus.
“Ik ben van lego,” zeg ik.
Hij lacht. Ijsbergsla tussen zijn tanden. Ik ken hem ergens van. Ik weet dat ik ooit bang ben geweest voor een gezicht als het zijne. Verontrustende gelaatstrekken. Ik grijns naar zijn verontrustende gelaatstrekken. Ik ben de nieuwste versie van mezelf.
“Ik ben van lego.” Harder: “Ik ben van lego.”
“Lego beweegt niet.” Zijn ogen veranderen in kleine spleetjes.
“Ik. Ben. Lego. Je ziet het nog niet.”
Half afgebroken irissen.
“Je ziet het pas als ze weg zijn.”
Flinters van pupillen. “Ook in je buik?”
“Dat zijn de laatste stukjes.”
Oogleden en witte wallen.

Er is geen lego of het verdwijnen van stukjes lego zonder de aanwezigheid van tanden. Je ziet ze niet. Je ziet ze alleen als je goed kijkt naar de afgekloven hoekjes.

Er is een kroeg waar dikke vrouwen voor een compliment hun dikke benen om de danspaal heen slaan. We willen staren naar dikke vrouwen die voor een compliment hun dikke benen om de danspaal heen slaan. Dikke benen. Grote ribbels en brede kuilen. Netpanty’s. Zweet. Ik verlang. Ik krijg een glas van de jongen. Ik ben gulzig. Ik wil met mijn vingers over de brede kuilen in dikke benen glijden. Ik wil de sensatie van mijn vingers over brede kuilen in dikke benen meten met de sensatie van mijn vingers over mijn knieën die de ontmoeting met elkaar niet meer dulden. Ik verdraag mijn verlangen niet.

Er is een opeenvolging van bochten. Er is de wind. De wind dwingt zich tussen de kieren van mijn botten, legt de smaak van kou op mijn tong. De jongen haakt zijn vingertoppen onder de rand van het zadel. Peutert met zijn nagels onder de randen van mijn routine. Legt achteloos zijn duim onder de schakelaar.

Er is een bed. Het is mijn bed. Er staat een fles op het tafeltje naast het bed. Er worden geen woorden aan vuilgemaakt, er zijn tongen die alleen verlangen naar de vertrouwde ring van glas. Er zijn tongen die worden uitgestoken in korte momenten van kinderlijk genoegen. Er zijn stemmen die worden gebruikt om tevredenheid te uiten over foto’s die getuigen van kinderlijk genoegen. Hij speelt de wolf als vos. Ik speel een ander. We zetten de Onschuld een laatste maal in –gierend, zweethanden in elkaar gevouwen, zwaaiend met zweethanden in elkaar gevouwen– alle fiches op elkaar gestapeld. Het Huis maakt geen schijn van kans.

Er zijn lippen tegen een bovenarm, een been over een been, borsten die kalm op en neer gaan. Er zijn twee witte onderbroeken: één met strakke pijpjes, één met bloemetjes die zich over één paar billen verspreiden. Ik slaap. Ik slaap in ontkenning van tanden die zich een weg banen langs schoenen en sokken en verloren peuken, op zoek naar onbeschermde enkels om in te zinken. Ik slaap zonder het maniakale razen van gedachten, zonder het grommen van mijn lijf. Er zijn drie van deze nachten.

Er is een vierde nacht. Er is een leeg bed. “Je bent een vos vermomd als wolf,” zeg ik tegen het lege bed. De jongen is terug op de plek waar hij vandaan is gekomen. Een perron. Een trein. Een stad. Ik ken de stad ergens van, er zijn trappen om op te zitten. Ik ken elke trede. Ik ga liggen in het lege bed en wacht.

Tanden glijden links en dan rechts. En dan links. En dan rechts. En dan omhoog. De tanden laten slijmsporen achter op mijn vel. De tanden dringen in mijn aderen en laten het kussen onder mijn hoofd tollen. De tanden krioelen in mijn maag. De tanden schrapen over mijn spieren, slijpen hakbijltjes uit mijn botten. De tanden maken kleine vreugdesprongetjes in mijn buik. Ze pakken mijn stukjes lego af, vermaken ze tot ingevallen letters. Spellen er woorden mee die niet hardop gesproken worden.
Er is een dag en een routine. Ik sta op en ga weer zitten. Wacht. Sta op. Grijns.  

*

Amber Mitchell (1986)  studeert aan de VU en publiceerde eerder in SLANG en op Ooteoote. 
 
 
 
 
 
 

Comments


Notice: Uninitialized string offset: 0 in /var/www/vhosts/samplekanon.com/httpdocs/wp-includes/class-wp-query.php on line 3149

Asha Karami

kapitalisme zorgt voor de achteruitgang van zaadkwaliteit   maar of dat erg is een pathologisch plot ligt om mij heen je verminkte oog wacht neem een slok grijze snor in rolstoel je vat kou zo ik zuig aan je knieholten gebleekt diertje van me hey lieverd je bent gewoon een vraag en ik wil dat […]

Lees verder

Flora Woudstra

Ik wikkel jassen en stola’s van drie generaties vrouwen om mij heen en beweeg door placebo-winters tot ze uiteenvallen. Sporen van erfelijke waanzin      lekken uit de wijde mouwen. Mijn moeders vingers stikken de gesleten stof maken een duik in de gevlochten mand op zoek naar garen stevig genoeg om de doden naar hier […]

Lees verder

Nguyễn Thị Mai

ik ben een maatschappelijk probleem    in 2018 wil ik een gemene chili peperplant groeien zodat ik jullie allemaal kan vergiftigen afbreken en doen herleven als schimmel dit is een vorm van wereldpolitiek ik heb al een tijdje niet geslapen slenter door de stad en staar naar mijn mobiel liefste, de dagen zijn lang zonder […]

Lees verder

Lokienprijs voor Samplekanon

De Lokienprijs 2018 is toegekend aan Samplekanon. Deze prijs, ter waarde van € 5000, is ingesteld door de Sybren Polet Stichting om het schrijven van vooruitstrevende, onconventionele en experimentele teksten te bevorderen. De jury, bestaande uit Jos Joosten, Bart Vervaeck en Marieke Winkler, deelde de volgende overwegingen met ons:  Dit literaire online-tijdschrift, dat in 2012 […]

Lees verder

Fiep van Bodegom

Het eiland van de pijnbomen en later ook de jeugd   We kwamen uit alle windstreken. Donkere kinderen met lange, dunne schenen, kinderen zo bleek dat je geen lijnen kon onderscheiden, slechts hun omtrek. Kinderen uit warme, koude en gematigde klimaten. We waren met onze onderwijzers naar het eiland gekomen en werden ieder in onze […]

Lees verder

Maurits de Bruijn

er zijn mensen die het woord er niet mooi vinden en zeggen dat je het altijd weg kunt laten door mijn straat liep een kameel daarop een bruidegom tussen zijn benen witte rozen nooit had ik iemand gezien die zo af was ik zat met Iers bier op tafel in een café waar we als […]

Lees verder

Maartje Smits

                                                                  Maartje Smits (1986) is dichter, detective en imker. In 2015 verscheen haar dichtbundel Als je een meisje bent. Ze studeerde Beeld & […]

Lees verder

Linda Carolien Veldman

    Linda Carolien Veldman (1989) studeerde Filosofie en Cultural Analysis in Amsterdam en Berlijn en schrijft poëzie, vaak in meerdere talen. Afgelopen zomer ging ze als dichter met deBuren naar Parijs, sindsdien staat ze met enige regelmaat op het podium om haar gedichten voor te dragen. De eerste tekst kwam tot stand in het […]

Lees verder

Nils Chr. Moe-Repstad

6e vergiftiging   Na het feest, lieveling: ‘als je bij mij blijft staan, zul je horen dat vogelzang altijd al ritueel was’ wie van gezang houdt, houdt van het schrift als een oeroud ritueel ik ben het hallucinerende drijven naar dat wat nog niet giftig is een droevigheid van water en zware metalen onder het duistere, […]

Lees verder

Roemer lezen 2

wij activeren beelden wij houden onze archieven vloeibaar door te bewegen we roepen schaduwen op die onzichtbaar blijven nemen luxe waren om nooit te vergeten we zoeken iets dat altijd blijft een zee achtervolgers, mijn onderduik wij activeren beelden tijdens de reis wij activeren wonden, leggen scherven uit, zoeken woorden erbij, we kijken de toestand […]

Lees verder