Samplekanon

Xavier Roelens

On May 18, 2012 by samplekanon

Eekhoorns in tijden van burnout


Sorry.
Sorry.
Sorry.
Ik moet zoeken, ik herinner mij een boek, het moet ergens in mijn oude kast bij mijn ouders staan, niet bij de Vernes, eerder bij de Dostojewski’s en Adam en Eva komen in de titel voor, dacht ik, en ik herinner me geen auteur. Sorry, ik kan niet zoeken, ik ga op mijn herinnering af. Er is een deadline te respecteren, ik ga gewoon vertellen: in dat boek zonder titel en zonder auteur gaat het over de psychose, de psychose als kortsluiting bij de mens, de ongelukkige mens die botst op de maatschappij. En het boek zonder titel en zonder auteur gaat over het kunstenaarschap als uitweg of sublimatie of overstijging van het kortgesloten ik.
Dat is een oud boek, maar begin dit jaar sprak Erik Spinoy in zijn Gedichtendagessay ook over de psychotische dichter, niet in het kortzichtige schema van dat boek zonder titel en zonder auteur, maar toch. Hij wil er toch de romantische dichter mee definiëren, de m/v die ook vandaag nog poëzie schrijft, al zijn al zijn voorbeelden mannen, maar soit.
En ik dacht:
psychose is zo fifties, is een brokstuk uit de oorlog. Net zoals hysterie zo fin de siècle is, een uit het korset opstijgende schreeuw om aandacht. Zo niet meer vandaag. Vandaag leven we onze depressies uit, springen we onder treinen, liggen we onze bedden te verslijten met een chronisch vermoeidheidsyndroom of een burnout. We leven in het informatietijdperk, dat is het woord, dat zeggen ze en er zal iets van waar zijn, we worden overladen door informatie maar welke informatie? Wandel in een bos en kijk wat een informatie er op je afkomt: de kleur en stand van de bladeren aan de bomen, de schors die verraadt of er onlangs nog een eekhoorn in die beuk geklommen heeft, de paaslelies die overmorgen helemaal open zullen gaan en daar vandaag al een hint van geven, het geluid van een wielewaal, een rups die onder een graszode wegvlucht, de kleuren, de geuren, ik kan doorgaan.
Er staat meer in een bos dan in een mailbox.
En toch is een bos rustgevend en een mailbox niet.
En ik zou nu de semioticus kunnen spelen en wijzen op de verschillende coderingssystemen die we kunnen ontcijferen en die in theorie op hetzelfde niveau staan, maar een semioticus maakt van alles taal en ik wil net het omgekeerde bereiken. Taal is altijd een handeling. Een daad.
Een mail is net als een eekhoorn die voorbijloopt en wij kiezen als mensen waar we achterna willen jagen, wat ons een tijdelijk stressmoment mag bezorgen. Dat is één. Twee is dat een eekhoorn en wat bessen onze honger voor een halve dag kan stillen, maar mails geen hongergevoel wegnemen. Er is geen rustpunt. Elke mail zegt: ‘Plus est en vous! en bewijs het nu maar eens.’ En elke mail verplicht ons opnieuw en opnieuw om in vraag te stellen wat voor ons van belang is. Dàt is de eenentwintigste eeuw en niet meer de psychotische, onaangepaste mens.
Het leven is niet alleen maar taal. Het leven is alleen maar handelen, communiceren met de dingen, dieren, mensen rondom ons.
Wat een belangrijk verschil.
Maar ook.
We houden als mensen niet in handen wat we nodig hebben. Na een hele dag naar het scherm staren kijken we ‘s avonds tv tot we opgefokt van kleuren, overpixeld en overprikkeld, ons bed opzoeken; we keken de hele avond niet naar eekhoorns waar we niet op willen jagen, maar naar tweedimensionale mensen die niettemin herkenbaar zijn, die ons een spiegel voorhouden, die lust of afkeer oproepen en die we in bed nog liggen te verwerken tot we in slaap vallen van te veel willen slapen. En dan zouden we in bed nog even een dichtbundel vastpakken? Een mail lezen we toch ook geen twee keer meer om tot in detail te snappen wat iemand bedoelt?
Maar ik wijk af, sorry, er is iets belangrijkers dat me ontsnapt, dat te maken heeft met het teveel aan informatie dat helemaal geen teveel is, maar dat een eenzijdige, al te talige soort informatie is en dat niet een ‘ter info’ is, een braaf terzijde zoals een eekhoorn die in een beuk klimt en dat wij mogen zien, maar dat zelfs dan een handeling van ons vraagt: nu lezen, later lezen, niet lezen? En zo de hele dag door. We zijn informatieverslaafden en net zoals heroïneverslaafden uiteindelijk de gemakkelijkste weg kiezen om aan hun product te geraken, de kleine criminaliteit, kiezen wij voor de Metro, de nieuwssites, de televisie.
Gratis.
Zo voelt het.
En dat de nieuwsgaring alsmaar verdunder wordt, daar klagen we wel eens over, maar zolang we om 7 uur ‘s avonds ons nieuwsshot kunnen zetten, blijven we met verzuurd gezicht, roodopengesperde ogen en afgekoelde pizza op schoot in de zetel hangen tot na de reclame.
Of ben ik te cynisch vanachter mijn eigen computerscherm?
Ok dan.
Ik was zo blij om in Insectopedie van Hugh Raffles te lezen hoe bijen, die naarstige voorbeelddiertjes die honig verzamelen tot de kasten ervan uitpuilen, ook veel tijd maar wat lummelen in de raten, wat tegen elkaar liggen aan te wrijven en hun tijd verdoen. Ik was zo blij om te lezen hoe insecten bij elkaar wel eens lust opwekken omwille van de lust, niet om voort te planten. Niet om een gebeurtenis te stellen, maar lekker egoïstisch, voor niks eigenlijk, vanuit efficiencydenken bekeken.
En ik ben zo blij dat ik maar wat zeg. En in dat zeggen is de poëzie datgene dat me net niet tegelijkertijd doet zeggen: „Ja, dat is het!” Ik definieer het net nadat het poëzie is. En dan maak ik er een gedicht mee. Omdat het niet van mij is, aan mij werd gegeven en ik het ook weer wil wegschenken. Een gevoel, een zin, een mening, een beeld, een ritme.
In het wegschenken van wat niet van mij is, zit voor mij het onmenselijke waar Spinoy in zijn Gedichtendagessay ook naar zocht. Hij sprak van een surplus, een exces, een ‘plus est en vous’. Maar de mens bleef in zijn pleidooi de maat om te bepalen wat mateloos is, wat onmenselijk is. Dat kan het bij hem maar zijn vanuit de ogen van de mens gezien, vanuit de vandaag geldende, cultureelcorrecte definitie van de mens als iemand die een krant leest, televisie kijkt, op zijn minst De Rode Duivels, De laatste show en op twitter Vincent Van Quickenborne volgt, tot de dag voor de verkiezingen twijfelt op wie hij/zij gaat stemmen, een mening heeft over Muyters, over Morel, over Museeuw, tien kookboeken en geen dichtbundel in de kast heeft staan, maar ook Congo van David Van Reybrouck ongelezen op tafel legt. De cultureelcorrecte definitie van de mens is ‘publiek’. Van daaruit een surplus geven is als afspreken dat we maar tot duizend kunnen tellen en dat alle getallen daarboven ‘oneindig’ zijn. Ons surplus is dan de 1001 Nachten, ons exces de 1000 en enige gedichten gebloemleesd door Komrij.
Neen.
Het onmenselijke is de wereld daarbuiten. Is het bos, is de stad, is het gebouw rondom je, door mensen gemaakt maar niet uit mensen opgetrokken – al zitten er naar het schijnt in sommige gebouwen wel kinderlijkjes in het beton verborgen. Is dat bij jou het geval?
Plus est dans le monde.
Ja.
Of om Shakespeare te citeren, de schrijver die dankzij de romantici groot geworden is, maar zelf geen romantieker was – zoals Jezus door christenen groot geworden is, maar zelf geen christen was: ‘There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your newspapers.’
Het onmenselijke is ook de taal, dat mij ook maar gegeven is en dat ik naar goed vermogen wens door te geven. En om dat te begrijpen, om aan te voelen dat taal niet menselijk is, heb je de overweldiging van een woord, de onvermijdelijkheid van een zin, de cadans van een gedicht, maar vooral de onverdraaglijke grootsheid van een dichtbundel nodig. Ze houdt ons geen lolly voor, biedt ons geen voedsel voor de social talk. Ze is een bom, een smaakbom uit de experimentele keuken met een opvallende textuur en mengeling van zuur, zoet en bitter in één ervaring.
Ooit was de dichter misschien de onaangepaste, de man of vrouw die als het ware met de rolstoel door de gangen van een ziekenhuis racete, om een oud essay van Spinoy te parafraseren, maar de maatschappij verlangt vandaag dat we die rol spelen en weet dat we niet echt ziek zijn. De Dag na Gedichtendag heetten de dichters in de krant alweer ‘de Ornelis & Rogiers van de literaire wereld’, omwille van onze pathetische drang om aandacht, genaamd Gedichtendag. Alsof het dichters zijn die de Gedichtendag uitgevonden hebben. Wij proberen alleen maar het beste ervan te maken. Wij passen ons aan, in mijn geval aan een publiek van scholieren uit het tweede middelbaar die bij de vraag ‘wat is voor jou poëzie?’ niet verder kwam dan ‘rijmen’.
Maar dat het belangrijk is te herhalen dat mensen meer zijn dan een publiek, dat waarheid zich niet laat wringen in een 12-secondenquote, dat er daden van onaangepastheid nodig zijn, dat ook de poëzie de tactieken van de informatieverslaving kan blootleggen, kan belachelijk maken, parodiëren, kannibaliseren, ja.
Ja.
Ja.



Xavier Roelens (1976) is coördinator van de vierjarige schrijfopleiding SchrijversAcademie, hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Kluger Hans, organisator van het eerste Belgisch Kampioenschap Poetry Slam en hij stelde met Maarten De Pourcq de bloemlezing
Op het oog. 21 dichters voor de 21ste eeuw (UItgeverij P) samen.
Hij debuteerde als dichter in 2007 met de bundel
Er is een spookrijder gesignaleerd (Contact) en publiceerde onlangs zijn tweede bundel Stormen, olielekken, motetten (Contact).

Een eerdere versie van deze tekst werd op 27 januari 2012 uitgesproken in PassaPorta te Brussel, naar aanleiding van de presentatie van het Gedichtendagessay 2012 As/zteken van Erik Spinoy.

Comments

comments

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>