Samplekanon

Fiep van Bodegom

On May 30, 2017 by samplekanon


Het eiland van de pijnbomen en later ook de jeugd

 

We kwamen uit alle windstreken. Donkere kinderen met lange, dunne schenen, kinderen zo bleek dat je geen lijnen kon onderscheiden, slechts hun omtrek. Kinderen uit warme, koude en gematigde klimaten. We waren met onze onderwijzers naar het eiland gekomen en werden ieder in onze eigen taal en cultuur onderwe­zen. Elke school was gebouwd naar de traditie van de streek van herkomst. Er waren vierkante, wit gesausde gebouwen en afgeronde trapezes van dikke lagen leem waar takken uitstaken. Maar ook bleke gebouwen met geometrische patronen die het moeilijk maakten voor het oog te onderscheiden wat horizontale of verticale oppervlaktes waren. Aan de kust woonden groepen kinderen in uitgestrekte grotcomplexen met Helleense tempelfaçades van pilaren, uitgehakt in de naar zee gekeerde rotswand.

In tempels uit de Griekse oudheid zijn elementen terug te vinden die noodzakelijk waren voor de constructie van houten tempels, maar overbodig zijn in stenen gebouwen. Elementen van de verdwenen houten bal­ken werden traditionele sierelementen in steen. Ook in andere voorwerpen is de gehechtheid van vervaardigers en gebruikers aan bestaande vormen – ongeacht hun functionele oorsprong – te vinden. Zoals de overbodige ribbels en knopen op aardewerk potten die rieten man­den en leren kruiken vervingen. Of de koppen van klinknagels op de goedkope keramieken kopieën van kostbare metalen drinkbekers. Zo is het icoon dat we gebruiken voor e-mail de afbeelding van een papieren envelop, voor een verzameling bestanden gebruiken we het icoontje van een kartonnen map, voor digitale op­names de afbeelding van een microfoon. Er bestaan zelfs skeuomorfen in de vorm van geluiden; er is geen noodzaak meer voor het geluid van een sluiter die open en dicht gaat bij het maken van een digitale foto. Desondanks wordt dat geluid toegevoegd aan de toe­passing zodat de gebruikers gerustgesteld worden dat er werkelijk een foto genomen is.

Welke skeuomorfen zou men kunnen onderscheiden in de immateriële elementen van een samenleving? Wat wordt overgedragen en behouden voorbij de oorspron­kelijke functie in taal, traditie en relaties? Welke dwin­gende maar nutteloze restanten van een eerdere tijd zijn te vinden in de patronen van ons leven, de relaties bin­nen en buiten families, ideeën van propriëteit en juist­heid, gevoelens van geborgenheid, symptomen van macht, angst en vreugde? Misschien onze afkeur voor bitter en voorkeur voor zoet, zo schadelijk nu suiker niet langer schaars is. Wellicht onze gewoonte gezag toe te schrijven aan een lang postuur en lage stem. De aanname dat oude vrouwen ongevaarlijk zijn.

Wat als we een lichaam in de wereld zijn die geen lijn van erfenis heeft? Of een lijn die een, twee of meer generaties terug is afgebroken? Waar gaat je lichaam op lijken te midden van lichamen die niet op het jouwe lijken? Hoe dik is bloed? Wat voor ziektes, stemmin­gen, voorkeuren en gebaren deel je met onbekende, verwante voorouders?

Alles in onze wereld is tot op zekere hoogte gedetermi­neerd. Cultuur wordt natuur en wisselt vervolgens van rol. Willekeurig en onverwachts als de magnetische polen. Onze emoties, onze gevoelens zijn gevormd door cultuur, maar dat maakt niet dat ons lichaam minder zweet in sociaal ongemakkelijke situaties, dat het bloed niet naar onze wangen kruipt, onze handen niet oncontroleerbaar gaan trillen als we moeten spreken voor een groep men­sen – fysieke verschijnselen die horen bij een levensbedrei­gende situatie.

Dassen maken burchten, ondergrondse kamers en tun­nels die elk jaar opnieuw worden bekleed met verse bladeren en stro en duizenden jaren onafgebroken bewoond. Generaties termieten leven in heu­vels gemaakt van droge bladeren gemengd met hun eigen speeksel. De tempratuur in de kamers, met elk hun eigen bestemming, wordt op peil gehouden met vernuftig geplaatste ventilatieschachten. Prieelvogels bouwen hutten en bogen van riet. Op het vrijgemaakte gazon rondom rangschikken ze artistiek felgekleurde bessen, stenen en glimmende kevers. Ze houden het meest van de kleur blauw.

Hana Miletić, Care Taking, handgeweven textiel, Galerie van Gelder, Amsterdam, 2017

Hana Miletić, Care Taking, handgeweven textiel, Galerie van Gelder, Amsterdam, 2017

Tegenwoordig komen er niet veel bezoekers naar het eiland. Er wonen nog maar weinig mensen en er zijn geen mooie stranden of vergezichten. Bovendien heb­ben de uitheemse knaagdieren zich door gebrek aan natuurlijke vijanden tot monsterlijke proporties ontwik­keld. Ze worden wel gegeten, maar het vlees is taai. Soms drijven balorige tieners de angstige dieren die niet kunnen zwemmen van de kliffen in zee.

Apocalyps in de moderne zin is de eenvoudige ontwik­keling – duidelijk te ontwaren in verlaten en verloe­derde industriesteden – waarin de aarde onherbergzaam en onbewoonbaar is gemaakt. Er is geen noodlottig moment aan de oevers van de Rubicon, geen groots spektakel voor de ogen en oren dat afdaalt uit de hemel. Slechts landschappen die tot voorbij de horizon door mensenhanden zijn gemodificeerd. Als het landschap uur na uur aan je voorbijtrekt vanuit een treinraam overvalt je soms een diepe misselijkheid  voor al die vlijt, al die gecoördineerde en op zichzelf onschuldige handelingen. Alsof elke baksteen, elke tegel en elke ruit met mensenspeeksel is bevestigd.

Het eiland was voor de revolutie dunbevolkt. Nog voor wij arriveerden trokken grote groepen jongeren naar het eiland om te helpen in de sinaasappel- en citroen­boomgaarden. Volgens de overlevering kreeg het eiland op verzoek van de jeugdige revolutionairen een nieuwe naam. Nadat er jarenlang gewerkt was werd het eiland tijdens het tiende Festival van de Jeugd hernoemd als beloning voor hun inspanningen. Het eiland had on­dertussen al haar schoonheid verloren door de haastig opgetrokken barakken en lelijke nieuwe woningen die het zicht ontnamen op de hellingen met boomgaarden en prachtige kustlijn.

Wij voelden geen uitzonderlijke sympathie voor het gedachtegoed van ons gastland. Het gedachtegoed dat onze opleiding mogelijk maakte, ondanks de schaarse middelen. De opleiding was niet gericht op indoctrina­tie. Wat resteerde was een grote, persoonlijke bewon­dering voor de leider van de staat. We noemden onze kinderen naar hem. En we dachten nog lang na vertrek met weemoed aan deze vaderfiguur die ons leven zo ingrijpend had ontworteld. Hij wilde van ons model­burgers van ons eigen thuisland maken, maar de tijd haalde ons in. Toen we klaar waren om terug te keren bestond het land waar we met zorg en grote offers van het gastland voor getraind waren niet langer.

Dit was het regelement dat we bij aankomst onderte­kenden: “De studenten wordt eten en onderdak ver­schaft; de studenten worden in staat gesteld hun oorspronkelijke nationale identiteit op meerdere manie­ren tot uiting te laten komen; de studenten leren taal en cultuur van het gastland; de studenten moeten terugke­ren naar huis.” We leerden activiteiten per dag, uitgaves per maand en voornemens per jaar te plannen.

Er waren vier scholen op het eiland met kinderen uit onze streek. Elke groep had een eigen naam die herin­nerde aan onze geschiedenis, de ene naar een filosoof, de andere groep was genoemd naar de plaats van een beroemde veldslag aan de grens. De laatste twee groepen heetten naar belangrijke histori­sche data in de ontstaansgeschiedenis van ons thuisland. Op elke school zaten zeshonderd kinderen.

Wij, kinderen zonder vader of moeder, konden niet verwachten gelukkig te worden. We konden proberen goed te zijn, wellicht zou dat ons vervulling brengen. Elk mens kan slechts eenmaal sterven, werd ons ter troost voorgehouden.

Haaks op de school stond de slaapzaal. ’s Ochtends ging de helft van de groep naar school en de andere helft naar de akkers en boomgaarden. ’s Middags wis­selden de groepen. De namiddag vulden we met zwem­men en ravotten. We deden wedstrijden wie het snelst was op de stoffige hellingen en sprongen in de kleine inhammen van de rotsen in de zee. We bewogen als een roedel mensenkinderen. Een lang lint van vaste clusters, vooraan de schreeuwers en duwers, in het midden de praters en achteraan de eenzame treuzelaars. Na jaren van deze routine vergaten we moederhanden, kinder­liedjes en de lach van vaders. Gezichten van broers en zussen zakten weg uit de herinnering. We wisten niet meer hoe droge zanderige lucht in de keel kan schroeien.

De oorspronkelijke bewoners scholden ons uit voor tamme bastaarden. Acceptabele gradaties van wreed­heid stijgen langzaam maar zeker. Maar wat je ook in je handen draagt, ik moet het zien.

Vroeger schreven auteurs over de minutieus verschui­vende relaties tussen mensen. De meest intieme relatie in onze tijd is misschien die tussen staat en burger.

Oude mensen geloven niet meer in een verbetering van de huidige wereld. De meesten menen dat onze wereld afglijdt naar een staat die doet denken aan het eeuwen­lange wegrotten van het Romeinse rijk. Ze durven niet te verlangen naar iets beters dan een nieuwe schemering voor hun kleinkinderen. Ze zijn gelukkig met elk jaar dat vreedzaam en goed verstrijkt en hopen slechts op nog enkele van zulke jaren. Nu hun eigen dood zo nabij is reikt hun horizon paradoxaal genoeg niet meer ver­der, zoals in hun jeugd. Het oude is stervende en het nieuwe kan niet geboren worden. In dit interregnum komt een grote verscheidenheid aan morbide verschijn­selen tot wasdom.

In plaats van bidprentjes verzamelden we de speelkaar­ten met plaatjes. Ze waren gedrukt op stroef karton, met een of twee kleuren waarvan de vlakken nooit helemaal samenvielen met de grove, maar spre­kende zwarte lijnen van de afbeeldingen; een lucht waarin een bebaarde man, draak en sirene verschenen, een mysterieuze jacht op angstig wild door een groep stille honden, een vlucht vogels gevolgd door drie zwarte raven. Maar ook een naakte vrouw – strategisch bedekt door een banier met tekst in een taal die we niet konden lezen – in het open veld die een metalen kelk aanbood, of drie kalveren met ieder twee hoofden en een indringend kijkende man met scheve neus in een rode, gewatteerde wambuis. Er waren er nog veel meer, maar deze herinner ik me. De kleuren waren altijd tegelijkertijd donker en flets op het goedkope karton. We wreven de geliefde stukjes papier op met de bolle kant van een in de zon verwarmde lepel tot ze glom­men. De plaatjes hoorden tot het meest gekoesterde bezit van de kinderen, samen met een medaillon, schelp, kettinkje of ansichtkaart dat ze nog van hun ouders gekregen zouden hebben of een fleurige sjaal die verworden was tot rafelige banier van het thuisland.

Ons verblijf op het eiland zou tijdelijk zijn. Het was ons niet toegestaan naar het vasteland, een groter eiland, te gaan. De bedoeling was dat we ver van de slechte om­standigheden in ons geboorteland onderwezen werden in de cultuur van onze geboortegrond. Na ons verblijf zouden we terugkeren om onze geboortestreek te ver­beteren, tot zijn ideale staat te verheffen. Maar wat gebeurt er met een cultuur in isolatie, ver van de bron, waar te veel waarde aan wordt gehecht? We spraken op het einde allen met het Noordelijke accent van onze docenten. Onze geschiedenisleraar had onderzoek ge­daan naar één streek en één eeuw uit ons land; we wa­ren onevenredig goed op de hoogte van de ontwikkeling aan de westkust van ons land een paar eeuwen terug. Hij onderwees ons slechts rudimentaire kennis van de andere streken. Ons land is zo groot, de tijd is zo lang.

In die streek waar we zoveel over leerden was overigens een soortgelijk meritocratisch systeem. Door middel van staatsexamens probeerde men in dat lang vervlogen rijk de potentie van alle onderdanen te benutten. Kinderen werden zo vroeg mogelijk van hun ouders gescheiden en vervolgens getest en toebedeeld aan een beroepsgroep die bij hun talenten aansloot. Zonder acht te slaan op afkomst werden kinderen geselecteerd voor de grondtroepen, grensbewaking, het ambtena­renapparaat of wetenschappelijk corps. Zelfs de sterren­wichelaars en vogelschouwers werden op deze wijze gekozen.

Uiteindelijk keerde geen van ons terug naar het oor­spronkelijke thuisland. We verspreidden ons over de gehele wereld. Onze groep viel op natuurlijke wijze uiteen in nieuwbegonnen families.

*

Frases en details uit deze tekst zijn afkomstig uit het onderzoek van Christianne Alvarado naar Ethiocubanos en verslag van haar gesprek met Tamiru Beyene, een van de duizenden kinderen die vanaf 1979 vanuit Ethiopië naar Isla de la Juventud (Cuba) werden gebracht voor onderwijs.

 

*

Het eiland van de pijnbomen en later ook de jeugd’ kwam tot stand in het kader van het project ‘The Haptic’, een serie van drie solo tentoonstellingen gecureerd door Vincent van Velsen bij Galerie van Gelder. Uitgangspunt daarbij was een fragment uit de essaybundel the undercommons, fugitive planning & black study van Fred Moten en Stefano Harney, waarin de non-verbale overdracht van kennis en identiteit centraal staat. De solotentoonstellingen waren respectievelijk van Stijn Verhoeff, Nickel van Duijvenboden en Hana Miletić. Aansluitend werd een door Paul Gangloff ontworpen publicatie gemaakt met teksten van de curator en genoemde kunstenaars, waarin ook dit stuk is opgenomen. De publicatie is verkrijgbaar bij kunstboekhandel San Serriffe en Galerie van Gelder. Het project werd ondersteund door het Amsterdamse Fonds voor de Kunst en Stichting Stokroos

 

Fiep van Bodegom studeerde literatuurwetenschappen en cultural analysis aan de UvA. Ze werkt en schrijft voor weekblad De Groene Amsterdammer en is redacteur bij literair tijdschrift De Gids. Ze publiceerde recensies, essays, interviews en proza.

 

Comments

comments

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>