Samplekanon

Zwart, niet te zien

On October 23, 2013 by samplekanon

Door: Samuel Vriezen

Maar ik ben toch geen racist? Ik ben toch een redelijk mens? zo reageerden veel tig-ste generatie Nederlanders op het Zwarte Pieten-debat. In alle onschuld hebben ze als kind genoten van een feest met folkloristische figuren, zonder de minste kwade bedoelingen, en als volwassenen zijn ze toch niet veranderd in rassentheoretici of kampbeulen. Als dan iemand anders laat zien dat Zwarte Piet vanuit een ander gezichtspunt minder fris oogt, voelen zij zich persoonlijk aangevallen. Mij wordt een schuldgevoel aangepraat, maar ik ben niet schuldig. Ik ben redelijk, ik ben geen racist, dus kan er ook niets fout zijn aan wat ik doe. Laat staan aan wat ik deed als onschuldig kind. Toch?

Paul Klee zegt dat kunst niet het zichtbare weergeeft, maar zichtbaar maakt. Dat bestaat ook in de politiek. Je hebt een politiek van het zichtbare, van de posities die iedereen kent, die vertegenwoordigd zijn, in de Tweede Kamer bijvoorbeeld. Maar naast alles wat te zien is, heb je nog alles wat niet te zien is en dat vormt een grotere uitdaging. Zeker waar het gaat om racisme en discriminatie. Soms is het de uitdaging om in te zien hoe je eigen gewoontes ervoor zorgen dat je blinde vlekken hebt. Je ziet jezelf wel, je eigen handelingen en bedoelingen, maar je ziet niet hoe wat je doet werkt op anderen. Daar zijn het ook anderen voor, immers. Die misschien een racisme ervaren waar je zelf nooit bewust van was.

Waar het over racisme in Nederland gaat, legt het vastklampen aan “ik ben geen racist” alle discussie lam. Alsof men niet geïnteresseerd is in elkaar, maar alleen in het vasthouden aan het zelfbeeld van morele onberispelijkheid en redelijkheid. Maar wat als je eens van het omgekeerde uitgaat en je afvraagt, “waar, in mij, zit die racist nog?”

Zo moet ik nog vaak denken aan foute moppen uit mijn jeugd. Ik zat op een lagere school met veel kinderen van wat toen nog “gastarbeiders” heetten. De meeste van mijn vriendjes waren Turks, maar ik had ook Nederlandse vriendjes. Van hen hoorde ik soms Turkenmoppen, die ik soms grappig vond. Dat je die dan niet aan Turken kon doorvertellen, heb ik echt moeten leren. Dat je ze überhaupt beter niet kunt vertellen heb ik moeten leren, van mijn Turkse vriendjes. Ik begreep die dingen niet van nature. Daarom heb ik ook weinig op met de onschuld van kinderen die steeds weer opduikt in de Zwarte Piet-discussie. Kinderen zijn helemaal niet onschuldig. Ze zijn lief en nieuwsgierig, en ze zijn monsterlijk, en kunnen niet altijd het verschil zien.

Gekker werd het toen ik als tiener bij een linkse politieke jongerenvereniging zat. Na afloop van een vergadering, bij een biertje, begon er dan wel eens iemand met “ik heb nou toch een foute mop gehoord…”, en dan kwam er iets verschrikkelijk racistisch. Waarom? Misschien bij wijze van ontlading. Je bent links actief, je denkt de hele tijd vanuit een moreel perspectief, meer dan vanuit een deelbelang of identiteit. En dan wil je even die morele teugels laten varen, het beest loslaten, lekker fout doen, met een soort hypocriet bewustzijn van je eigen foutheid op dat moment om het nog wat perverser en lekkerder te maken (dat perverse extraatje was het verschil met de lagere school). Een bevrijdend gevoel. En het schept nog een band ook, samen dingen doen die niet deugen.

Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat er bij die specifieke linkse club alleen blanke tig-ste generatie Nederlanders zaten. Er konden foute grappen gemaakt worden, omdat de mensen die erdoor getroffen werden, letterlijk niet te zien waren. Maar zo blijft ‘solidariteit’ wel nogal abstract. Een flink gênante toestand al met al. Wat me achteraf het meest verwart is de wetenschap dat ook ik kennelijk de libidinale aantrekkingskracht van het foute ken. Voor racistische grappen voel ik inmiddels vooral afkeer, maar ik weet ook dat er plekken in mij zijn waar zulke grappen vat op kunnen hebben, stukjes potentiële racist, die ik wel onschadelijk kan maken maar niet dood.

Hoe moeilijk is het nou om te zien dat Zwarte Piet, alle rationaliseringen en historiseringen ten spijt, een koloniaal stereotype is? Niks geen schoorsteenveger, maar een ‘neger’? (ik gebruik hier met opzet het politiek incorrecte woord). Wel, kennelijk is dat moeilijk. Want je moet er iets voor zien dat je mogelijk niet wilt, of niet kunt zien. Maar dat is dan ook precies hoe stereotypen werken: ze houden onzichtbaar.

Het duidelijkste voorbeeld daarvan heb ik gezien – of all places – in Perdu. Jawel, het experimentele, progressieve poëzietheater in Amsterdam. Voor een programma was een schilder uitgenodigd en een dichter. De schilder is beroemd onder de Nederlandse intelligentsia als neokoloniale sekstoerist: in zijn droom Gauguin te evenaren heeft hij lang in Afrika heeft gewoond om daar met zoveel mogelijk jonge vrouwen te neuken. De dichter dicht over het leven: jury’s roemen hem als ‘burgermeester van de achterkant van Amsterdam’, als iemand die zijn aandacht richt op datgene waar gewone mensen aan voorbij gaan, die de pijnlijkste details ziet, maar niet veroordeelt. Het idee van de avond was: vier mensen poseren, alle vier heel verschillend (‘divers‘, in beleidsjargon). De schilder maakt live een portret van ze, terwijl de dichter een gedicht schrijft. Het publiek leest mee want het computerscherm werd geprojecteerd. Zo is het publiek deelgenoot van het artistieke proces in real time.

Het was heel spannend. Er werd bij de eerste drie aandachtig gewerkt. Dat waren drie tig-ste generatie Nederlanders van uiteenlopende snit. De precieze samenstelling weet ik niet meer, laten we zeggen: meisje, middelbare man, oudere vrouw – hoe dan ook, je kon het goed volgen, hoe de schilder geconcentreerd keek, de dichter zocht, je kon zijn denkproces volgen.

 En toen kwam er een zwarte man het podium op en alles veranderde. Je zag de schilder ontspannen. O, zo eentje! Die ken ik, uit Afrika. Snel zette hij de contouren van een negerhoofd neer. Er kwamen wat vragen uit het publiek, goh meneer K–––, hoe is dat nou, zo’n portret schilderen. Hij ging losjes erop in, kletste wat met zijn bewonderaars, zette hier en daar nog een kwastje. En de dichter? De man was nog niet gaan staan, of de dichter had zijn beginregels te pakken. Ik citeer uit imperfect geheugen maar ver zit dit er niet vanaf:

 

          De zwartste neger die ik ooit zag

          Bood mij cocaïne aan op het Rokin

 

Zo, dat stond. Negers, mij vertel je niks, die ken ik, die zie ik overal, op het Rokin bijvoorbeeld, altijd handig als je coke nodig hebt.

ZE KEKEN NIET. Ze zagen een ‘neger’ dus hoefden ze niet te kijken. Je ziet een zwarte man staan en begint over een andere zwarte man, een die nog wat zwarter is, liefst crimineel. En dat is racisme. Zonder rassentheorie, zonder bewustzijn, het is een racisme van het niet-zien. Niet het racisme van de plantage of het vernietigingskamp, maar een racisme van intellectuelen onder elkaar, laat op de avond, in een progressief experimenteel cultureel instituut in de hoofdstad van het land, waar niemand de zwarte man ziet die er staat.

De familie van die man stond achter bij de bar. Ik stond er niet ver vanaf. Ik zag de vrouw, uit ongemak en ongeloof, lachen. Wat moet je doen op zo’n moment? Nu denk ik: iemand van ons had moeten roepen, S–––, klootzak, daar hou je nú mee op! Maar dat deed ik niet. Ik wisselde maar een blik met de vrouw in de hoop iets van verstandhouding te kunnen communiceren. Ze waren zo’n beetje de enige niet-blanken in de zaal, en op zo’n moment hebben ze bondgenoten nodig, maar hoe? De tegenwoordigheid van geest, of het lef, om het programma te verstoren had ik niet. Je hoopt natuurlijk ook dat het zichzelf weer op de rails trekt, maar die hoop was ijdel.

De schilder was klaar en liet de man zijn portret zien, met een joviaal gebaar, kijk eens, mooi he? Wat vind je ervan? Beetje bedremmeld: dat lijkt helemaal niet op mij! Dat is een neger! Na afloop bood de toenmalige directeur van Perdu uitvoerig haar excuses aan aan de familie. Zij snapte heel goed wat er was gebeurd en dat juist op een plek als Perdu zoiets nooit mag gebeuren. De familie zei beleefd dat het natuurlijk vervelend was, maar dat ze er niet erg zwaar aan tilden. Want ook zij waren redelijke mensen.

 



Samuel Vriezen (1973) schrijft muziek, poëzie en essays, en speelt piano. Onlangs verschenen bij Edition Wandelweiser zijn opname van Tom Johnsons conceptuele cultcompositie The Chord Catalogue en zijn eigen Within Fourths/Within Fifths, en bij Uitgeverij Perdu een vertaling, in samenwerking met Frank Keizer, van Rob Halperns Disaster Suites, onder de titel Rampensuites. Op dit moment werkt hij aan diverse geheime projecten, dus hou hem goed in de gaten.

 

Comments

comments

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>